Hoe kan ik als docent hiermee rekening houden?

Het kan helpen om een aantal zaken in je achterhoofd te houden:

  1. pubers zijn emotioneel wat sneller ontregeld;
  2. daardoor kunnen ze soms ook impulsiever reageren, zonder de gevolgen van hun acties goed te overzien;
  3. ze ervaren veel groepsdruk en hebben minder eigenheid om zich daarvan te onderscheiden;
  4. ze vullen sneller in bij anderen, wat er bijvoorbeeld voor kan zorgen dat ze zich sneller bekritiseerd voelen;
  5. ze zitten in dé levensfase waarin hun psychische gezondheid wordt bepaald.

We geven enkele tips hoe je hiermee rekening kan houden in de omgang met pubers.

  • Toon je betrokkenheid: merk je dat een kind zich wat anders gedraagt of er wat anders bij zit, dan kan het al veel betekenen als iemand dit opmerkt en betekenis geeft. Het geeft aan een kind de boodschap dat hij/zij ertoe doet. Soms kunnen kleine gebaren of vragen daarin al heel wat doen.
  • Stel grenzen aan gedrag, maar denk na over de betekenis ervan: laat duidelijk zijn dat pubers grenzen nodig hebben! Alleen hebben ze meer nodig dan begrenzing en correctie van hun gedrag. Zeker als een bepaalde jongere telkens bepaalde grenzen telkens opnieuw overschrijdt, is het belangrijk oog te hebben voor de betekenis van dat gedrag. Gedrag heeft immers betekenis, drukt iets uit. Het hanteren en reguleren van gedrag vraagt meestal dat je begrijpt waarom je doet wat je doet. Bijvoorbeeld, vanuit welke behoefte of emotie je dat gedrag stelt. Vaak is het frustrerend wanneer alleen het gedrag wordt gezien en alleen op het gedrag wordt gereageerd, zonder dat er oog is voor de signaalfunctie van het gedrag. Vraag je bijvoorbeeld af waarom Sophie zo stil is de laatste dagen, hoe het komt dat Brecht steeds zo boos reageert wanneer je hem wilt helpen of wat maakt dat Bart zich dit schooljaar veel moeilijker kan concentreren. Oog hebben voor de betekenis van gedrag houdt in dat je ervan uitgaat dan pubers niet zomaar iets doen. Als docent kan je dus het gedrag begrenzen als dat storend is in de klas, maar tegelijk nadenken over de betekenis van dat gedrag en dat bespreekbaar maken met dit kind.
  • Ondertitel jezelf: pubers vullen vaak allerlei zaken in, bijvoorbeeld ook over de redenen waarom leraren ‘net hen’ telkens aanspreken. Bedenk dat zij niet in jouw hoofd kunnen kijken om te begrijpen vanuit welke bedoeling je dat doet. Leg daarom expliciet uit waarom je doet wat je doet en waarom je als leraar bepaalde grenzen stelt. Maar ondertitel jezelf ook wanneer iemand iets aardigs of fijns doet in de klas.
  • Zorg voor een veilige sfeer: de school is in de eerste plaats een plek om te leren. Maar leren gaat makkelijker wanneer je je veilig voelt. Kinderen voelen zich veilig wanneer ze voelen dat er oog is voor hun behoeftes, dat de docenten zich proberen op hen af te stemmen en dat er begrensd wordt wanneer er vervelende opmerkingen worden gedaan door andere leerlingen.
  • Weet (als mentor) wat er in de klas speelt: merk je signalen op dat er iets in de groepscultuur speelt wat schadelijk is, laat het dan niet op z’n beloop. Je kan als mentor niet alles voorkomen, maar je kan wel laten merken dat je het opmerkt, dat je er iets van vindt en iets aan wilt doen.
  • Leg de signalen die je opvangt op de juiste plaats neer: leraren kunnen soms een vertrouwenspersoon vormen voor leerlingen, maar ze moeten in de eerste plaats leraar blijven. Hou voor jezelf helder waar je grenzen zijn, zeker als je merkt dat leerlingen in vertrouwen zaken vertellen die je ‘niet mag doorvertellen’. Maak duidelijk aan leerlingen die dit doen waar jouw rol begint en stopt en wat je met deze signalen gaat doen.